vervolg 'Gebiedsbeschrijving'

Stuwwallen zoals die van Arnhem zijn gevormd tijdens de laatste ijstijd en bestaan uit lagen van grof tot zeer fijn zand afgewisseld door zwak tot sterk lemige lagen en stenig materiaal. Het reliëf van de Zuid Veluwe is in de richting van de uiterwaarden van de Nederrijn sterk glooiend. Er komen diep in het landschap ingesneden dalen voor. Het stuwwalgebied van de Zuid Veluwe heeft, behoudens aan de randen, in het algemeen een lage grondwaterstand (>25m beneden NAP). Op de hogere delen is de vegetatie voor haar vochtvoorziening dan ook aangewezen op de neerslag en het waterhoudend vermogen van de bodembovenlaag (het zgh. hangwaterpofiel). In de dalen voorkomende bron- en sprengenbeken zorgen plaatselijk voor een natte bodemsituatie waardoor op sommige plaatsen sprake is van een bijzondere flora en fauna. De aanvoer van het beekwater geschiedt vanuit bodemlagen die een schijngrondwaterspiegel bevatten.

Het kleinschalige bosgebied van de Hemelse Berg, Pietersberg, Laag Oorsprong en Sonnenberg omvat voor het merendeel een opstand met een gevarieerde samenstelling (hoofdzakelijk beuk en inlandse eik, in mindere mate douglas, grove den en Amerikaanse eik). Het parkbosachtige karakter van het gebied met de bijzondere, reeds bovenstaand genoemde elementen, maken het gebied aantrekkelijk voor recreanten om er te wandelen en te fietsen.

Om hun interesses in wereldse zaken te demonstreren lieten eigenaren van landgoederen en buitenplaatsen in de 19e eeuw vaak exoten (planten die oorspronkelijk niet in Nederland thuishoren) aanplanten. Voorbeelden vindt men daarvan in park Hartenstein en op de Pietersberg. Zij bepalen mede de bijzondere landschappelijke waarde van deze gebieden.

De aan elkaar grenzende landgoederen en buitenplaatsen vloeien landschappelijk als het ware in elkaar over. Deze onderlinge samenhang wordt versterkt door 'grensoverschrijdende' lanen, wandelpaden en fietspaden die deze terreinen met elkaar verbinden. Het gehele gebied is door haar ligging en door haar verscheidenheid in eigenschappen (b.v. hoog-droog versus laag-nat) en ruimtelijke afwisseling van bijzondere landschappelijke kwaliteit. De combinatie van reliëf, landgoederenstructuur, beken, waterpartijen en bospercelen met oude bomen (bomen van > 100 jaar) maken het tot een voor Nederland bijzonder landschap.